Wat is liefde, vraag ik de kinderen

Al iets meer dan tien jaar heb ik een column in de Erpse Krant. Omdat de krant deze week op Valentijnsdag verscheen, stond de hele krant in het teken van de liefde, inclusief de columns. Dit is mijn verhaal:

Het is zondag. De avond valt. De situatie hier is als volgt: de kinderen hangen in de bank. De een staart naar de tv, de ander naar haar tablet. Susanne leest een boek. En ik stier onrustig rond, op zoek naar een insteek voor dit verhaal, dat over liefde moet gaan; het thema van deze krant.

Wat is liefde, vraag ik de kinderen.

Maar er komt geen reactie. Alle aandacht gaat naar het scherm.

Ik vraag het Susanne.

‘Liefde is alles’, antwoordt ze direct. ‘Alles wat je met liefde doet, groeit. Dat geldt voor een relatie, je werk, je hobby’s. Alles.’

‘Mooi’, zeg ik. ‘En ik ben het met je eens. Maar ik kan geen verhaal over ‘alles’ maken. Ik moet iets tastbaars hebben. Iets kleins. Daar ben ik naar op zoek. Waarom ben jij bijvoorbeeld nog verliefd op mij?’

Nu moet ze iets langer nadenken.

(Ja, jammer hè. Vond ik ook!).

‘Als jij spontaan begint te balletten in de huiskamer. Als jij gekke bekken trekt tijdens het eten, zonder dat je dat zelf in de gaten hebt. Als jij ineens begint te zingen. Een kerstlied in de lente. Een carnavalskraker in de nazomer. En als je dan de meiden aansteekt in jouw blijheid … Dan ben ik op zijn allerverliefdst, denk ik.’

‘Oké’, zeg ik. ‘Maar daar ga ik natuurlijk niet over schrijven. Dan kan ik niet meer met goed fatsoen onder de mensen komen en neemt niemand mij ooit nog serieus.’

Susanne gaat terug naar haar boek. En ik zie aan haar gezicht, dat ze zich in moet houden. Ik voel het. ‘Hebben ze dat dan ooit gedaan’, had ze willen zeggen.

Ik stier nog even verder.

De liefde. De liefde. De liefde.

Inderdaad, de liefde is alles. Liefde is een gevoel. Een moment dat in een fractie van een seconde op kan komen. Bij mij wel tenminste. Want ik weet nog als de dag van gisteren, zeventien jaar geleden. Iemand had me tijdens de pronkzittingen getipt dat bij mij tegenover een heel leuke meid werkte; bij het kinderdagverblijf. Ik moest maar eens op de koffie komen.

Na heel lang aarzelen, heb ik met zwetende handen de stoute schoenen aangetrokken, aangebeld, gezegd dat ik op de koffie kwam en te horen gekregen dat ze alleen maar ranja hadden, dat het nu eigenlijk ook niet uitkwam, omdat alle kinderen net naar bed moesten, maar of ik anders morgen terug wilde komen.

Heb ik gedaan. Maar ik had haar toen al gezien. Heel even. Haar lach. Haar vriendelijke gezicht. Haar stem. Toen ik de dag erop weer aanbelde, was ik niet meer zoekend naar de liefde, maar was ik al tot over mijn oren verliefd.

Zeventien jaar geleden.

Vandaag zit ik in de keuken aan tafel, met een leeg vel papier voor me waar ik de ideeën voor dit verhaal op had willen schrijven. Maar ik krijg een ander idee. Ik hoef kennelijk maar heel even gek te doen om haar vlammetje wat aan te wakkeren. Als de kinderen meedoen, kan de avond zomaar eens een verlenging krijgen …

Ik sta op, zwier naar binnen en zing uit volle borst, de handen gevuist voor me, kop in de nek, een nummer van Hazes: ‘Lieieieieieieiefde, wat is dan lieieieieieieieifdeeeeee ….’

Twee boze hoofden kijken op van hun scherm: “Stiiiiiiiiilllllllll …”

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *